Zoë Demoustier
Zoë Demoustier is een in Brussel gevestigde choreografe en performer met een achtergrond in Dutch Mime, hedendaagse dans en cultureel onderzoek. Sinds haar afstuderen in 2018 heeft ze een breed netwerk opgebouwd in Vlaanderen, Brussel en Nederland, en werkte ze internationaal in steden als Wenen, Montréal en Milaan. Haar werk verbindt generaties en artistieke stijlen, waarbij beweging, beeld en geluid gelijkwaardig samenkomen. Zoë staat bekend om haar choreografieën die maatschappelijke thema's op een invoelbare manier vertalen, door alledaagse bewegingen te transformeren tot esthetische vormen die het publiek aanzetten tot reflectie.
Haar werk balanceert tussen abstractie en toegankelijkheid, met als doel dans begrijpelijk en voelbaar te maken voor een breed publiek. De gelaagdheid in haar voorstellingen zorgt ervoor dat betekenissen verschuiven en transformeren, verankerd in universele emoties en beelden. Dit geeft haar werk een tijdloze relevantie, zowel artistiek als maatschappelijk.
Zoë werkte samen met gezelschappen en makers als Kabinet K, Michiel Vandevelde, en Alma Söderberg, en creëerde voorstellingen zoals Unfolding an Archive (STUK & Ultima Vez), Beating Choir/Choeur Battant (BRONKS BE & Le Carrousel CA), Nesten (fABULEUS), en What Remains (Ultima Vez), dat in 2023 werd geselecteerd voor het Theaterfestival en internationale erkenning kreeg.
Unfolding an Archive
In Unfolding an Archive ontvouwt Zoë Demoustier een beeldarchief van 20 jaar oorlogsverslaggeving. De man achter de camera is haar vader Daniel Demoustier. De zoektocht naar een verhouding tot het beeldenrijk van wereldgebeurtenissen waarmee ze is opgegroeid, is als een beweging van ver en dichtbij. In een poging tot een reconstructie brengt ze het archief tot leven. Ze ontmantelt de mechanismen die schuilgaan achter de archiefbeelden. Gaandeweg ontstaat er een choreografie van poses en gebaren in een opgebroken tijdlijn van fysieke herinneringen.
What Remains
What Remains is een verhaal over beginnen en eindigen, over staan op het uiterste van een levenslijn, op het punt waar je als kind begint of waar je als oudere eindigt. De poëzie van het veranderen als mens, het maken van herinneringen en de angst om deze te verliezen. In What Remains brengt Zoë Demoustier twee generaties samen op scène: kinderen die beginnen aan het leven en oudere dansers die het leven achter zich laten. De uitkomst van die ontmoeting is een fysiek en dansant spel tussen oud en jong dat het vergankelijke lichaam blootlegt. Er schuilt immers ook schoonheid in het verliezen, in het langzaamaan lichter worden van het lichaamsarchief. In een bewegingstaal waarin rollen kunnen omkeren, staan zowel jong als oud krachtig in hun kwetsbaarheid. Wie zorgt er voor wie? In de gelijkenissen en de verschillen vinden ze elkaar. Op scène staan drie ouderen, een jongvolwassene en zes kinderen.
De kinderen komen uit verschillende wijken in Brussel en Vlaanderen. De keuze voor een gemengde groep van kinderen en ouderen is de logische consequentie van het thema: het onderzoek naar de beweging die zich voltrekt tussen jonge lichamen, nog ‘onbeschreven’ door ervaringen, en ouder wordende lichamen ‘gevuld’ met hun herinneringen.
De oudere generatie dansers en performers belichaamt het vergankelijke lichaam. Hoe verloopt dat proces van verwerven en verliezen van herinneringen? Wat als dat proces wordt omgekeerd, of als we de verwachtingen tegenover jonge en oudere lichamen doorbreken? Kan het zo beladen contrast tussen de beide fasen van het lichaam worden uitgegomd? Specifiek met betrekking tot de ouderen speelt bij Demoustier ook een emancipatoire motivatie. Demoustier: “Ik wil een pleidooi houden voor het zichtbaar maken van die oudere generatie op het podium. We praten veel over inclusie en de noodzaak van het tonen van verschillende lichamen, maar zij zijn intussen wel hun plek kwijt. Terwijl zij juist veel te vertellen hebben. Ze dragen in hun lichamen niet alleen hun persoonlijke geschiedenis mee, maar ook een bewegingsgeschiedenis die jonge choreografen nog helemaal moeten ontdekken.” Demoustier: “Ik hoop dat alles wat we samen hebben gezien, gelezen en uitgeprobeerd verzonken raakt in het bewegingsmateriaal, in de compositie en in de wisselende rolverdeling tussen de dansers. In het archief dat tijdens onze repetitieperiode ontstaan is." Op de vloer vertalen gesprekken over opgroeien en aftakelen zich in bewegingsfrases die zich herhalen, als in een film, waardoor steeds een nieuwe betekenis ontstaat.
En daarnaast zijn er natuurlijk de lichamen zelf van de dansers-performers, die vanzelf twee verschillende archieven naast elkaar zetten, en waartussen zich een verhouding zal ontwikkelen. Explicieter hoeft het niet. Vorm en inhoud moeten samenvallen, zoals dat zo mooi gebeurt bij Bernlefs Hersenschimmen: aan het eind van het boek verliest het hoofdpersonage niet alleen grip op zijn gedachten, ook de taal zelf verbrokkelt.” Dat samengaan van vorm en inhoud leidt in What Remains tot wat je een ‘dramaturgie van verlies’ zou kunnen noemen, die overigens niet alleen melancholisch is van toon. Er schuilt immers, voorbij de angst, ook schoonheid in het verliezen, in het steeds lichter worden van het lichaamsarchief.